De improvisatiekunst van Klaas Bolt

Door: Willem van Twillert

Van veel woorden of onduidelijk, verhullend taalgebruik hield Klaas Bolt niet. Zoals hij sprak en handelde, zo improviseerde Bolt ook. Gebrei, hol pathos of het louter willen imponeren via orgelspel was hem vreemd. Het orgel op het mooist laten klinken in allerlei klankkleuren en daarbij aansluitende speelmanieren, daar speelde Klaas Bolt zich letterlijk en figuurlijk warm voor. Men vindt dit streven in zijn improvisaties steeds terug.

Zichzelf verkopen of gewichtig doen, daar was Klaas Bolt niet van gecharmeerd. Moeilijk om over zijn improvisatiekunst meer te zeggen dan alleen het in overweging geven om zijn vastgelegde improvisaties vaak te beluisteren en te analyseren. Zo kan men er achter komen welke technieken Bolt hanteerde, zoals:
- in welke ligging wordt de koraalmelodie (= Cantus firmus) gespeeld (bas, tenor, alt of sopraan)
- welk tempo en beweging wordt genomen
- welke klankkleur (registratie) gekozen?
- welk idioom (= gehanteerde muziekstijl, zoals Barok, Romantiek e.d.) gehanteerd, enz.

In deze beschouwing over Klaas Bolts improvisatiekunst zullen niet meer dan een aantal facetten uit diens improvisaties aan bod komen. Soms zal op een bepaalde variatie afzonderlijk worden ingegaan. De lezer begrijpt dat indien op elke variatietechniek van Bolt gedetailleerd zou worden ingegaan, dit een leerzame handleiding voor improvisatie zou kunnen opleveren. Volledigheid kan en wordt evenwel niet nagestreefd.

Een aantal elementen uit Bolts improvisaties zullen de revue passeren:
1) Eenvoud in harmonie en vorm
2) Beknopt, bondig en functioneel
3) Sterke relatie tussen instrument, registratie en keuze van de vorm
4) Aanknopen bij improvisatie- en variatietechnieken uit vroeger tijd
5) Meerdere stijlen

Eenvoud in harmonie en vorm
Klaas Bolt is er altijd van overtuigd geweest dat alleen een harmonisatie de basis vormt voor koraalvariatie. Er dient een afgebakend raamwerk te zijn dat weer afhankelijk is van onder meer de ligging van de koraalmelodie in de harmonisatie. Vanuit een drie- of vierstemmige harmonisatie gaat men afhankelijk van de beweging (tempo) noten toevoegen. De harmonisatie wordt via doorgangs- en wisselnoten op allerlei manieren omspeeld.

Bolt kiest in eerste aanzet voor louter drieklanken in grondligging, op min of meer dezelfde manier zoals Claude Goudimel dit deed in zijn harmonisaties van de psalmen, die Goudimel 1665 publiceerde. Om aan de lezer meer duidelijk te maken zou het gebruik van notenvoorbeelden wenselijk kunnen zijn. Op dit punt van detaillering is echter de grens van de opzet van dit artikel bereikt. Doel is juist bij het schrijven van dit artikel .geweest om een algemeen beeld van Bolts improvisatiekunst te geven. Daarom is het gebruik van notenvoorbeelden vermeden.

Vorm
De keuze van de vorm bepaalde Bolt door de registratie, die weer afhankelijk was van de mogelijkheden van het te bespelen orgel, met name dan de dispositie (heeft het instrument een of meer klavieren en dergelijke). Ook de akoestiek van de ruimte speelt een rol.Zo liet bijvoorbeeld een ‘droge’ ruimte Bolt niet veel ‘ruimte’ voor variaties met gebroken drieklanken.

Bolt liet zich door deze omstandigheden als het ware de vorm aanreiken. Heel fascinerend. Een voorbeeld: Wanneer Bolt een van zijn circa 250(!) onder zijn adviseurschap gerestaureerde orgels inspeelde kon hij intens geboeid raken door één bijzonder goed getroffen register. Was dit bijvoorbeeld de Trompet 8’ in het pedaal, dan improviseerde hij een twee-stemmige variatie voor pedaalsolo.

Was de Cornet zeer bijzonder, dan kwamen de voor dit register geëigende variaties uit zijn vingers. Hetzelfde voor een mooi Fluitregister, enz. Uiteindelijk lagen de keuzes als het ware steeds voor Bolts hand. We komen nu bij het volgende aspect.

Bondig, naturel en functioneel
Een van de meest in het ‘oor’ springende kwaliteit van Klaas Bolt was diens vermogen om zijn muzikale invallen bondig en beknopt, en daardoor zeer geconcentreerd en boeiend, gestalte te geven. Zijn stijl was niet gezocht, maar altijd zeer naturel.

Het meesterschap van Bolt herkent men (als zo vaak) in diens beperking. Een eenmaal gekozen variatie kon Bolt tot en met de laatste toon geconcentreerd en spannend van inhoud volhouden, en tevens nog uiterst verfijnd uitvoeren. Opvallend was ook steeds zijn tempo keuze. Nooit haastig. Hij beheerste de materie. Alles klonk uitgewogen en goed geproportioneerd.

De intensiteit en de beweging bleef altijd dermate goed van kwaliteit dat vele van Bolts improvisaties, ook wanneer ze aan het papier zijn (worden) toevertrouwd, nog kunnen boeien. Die kwaliteitsnorm is overigens een van Bolts motieven geweest zich te blijven ontwikkelen. Ook hem kwam het niet aanwaaien. Vaak luisterde hij naar cantates van J.S. Bach, waardoor hij zich liet inspireren. Om de kwaliteit en intensiteit zo groot mogelijk te doen zijn schuwde Bolt het niet zijn improvisaties voor te bereiden en soms aanzetten van variaties schriftelijk vast te leggen.

Sterke relatie tussen instrument, registratie en keuze van de vorm
Wanneer een register of registercombinatie Klaas aansprak dan improviseerde hij op deze klank; we constateerden dit al eerder. Veel variaties dragen dan ook de titel van het bespeelde register, zoals de variaties die Bolt speelde over psalm 130 op het orgel in de Bonifatiuskerk te Medemblik, gebouwd door Pieter Backer in 1671 en in 1785 uitgebreid met een Rugwerk van Bätz. Iedere liefhebber zal deze belangrijke opname wel kennen. Met deze LP onder streepte Klaas Bolt de band tussen register en vormkeuze. Zoals gezegd de stijl van het instrument bepaalde ook de stijl van zijn improvisatie.

Zo improviseert Bolt in Krewerd in 16e eeuwse stijl (à la Van Noordt en Speuy) terwijl hij op het Knipscheer-orgel te Zandvoort een vroeg-romantisch klankidioom kiest voor zijn variaties over: Lied 462: Ontwaakt, gij die slaapt
Klaas Bolt registreerde niet alleen het orgel, maar hij regisseerde het ook! En wel zodanig dat steeds de allermooiste klankkleuren gecombineerd werden met de daarvoor meest geëigende muzikale invallen.De recent verschenen CD met improvisaties van Bolt op het Lindenberg-label illustreren dit. Wanneer Klaas zo bezig was dan kreeg zijn spannend musiceren steeds meer dimensies, getuige deze opnamen.

Aanknopen bij improvisatie- en variatietechnieken uit vroeger tijd
Zijn historisch besef deed Klaas Bolt nooit in banaliteiten vervallen, hoewel zijn humor dikwijls een rol speelde, waardoor hij verrassende 'gekke' wendingen niet uit de weg ging. Hij schroomde evenmin om typisch naturalistische galante effecten zoals klokgelui (psalm 108, Bätz-orgel, Harderwijk) trommels, vogelgezang (psalm 132, Oude Kerk Amsterdam NCRV-opname) en dergelijke in zijn improvisaties een rol te laten spelen. Klaas Bolt kon, gedegen en stijlzuiver in de praktijk brengen hetgeen Joachim Hess in zijn "Luister van het orgel", Gouda 1772 aankaart. Als orgeladviseur kon hij het zich aantrekken wanneer een fraai gerestaureerd orgel slecht bespeeld werd.

Klaas wilde zijn geïmproviseerde muziek niet noteren, hoewel hij wel degelijk aantekeningen maakte. Soms schreef hij zelfs delen geheel uit zoals de knappe expositie van de fuga over Ontwaakt, gil die slaapt.(...) die hij speelde te Zandvoort; of de fuga over psalm 143 die op een CD staat met werken uitgevoerd op het Müller-orgel te Haarlem. In het publiceren van zijn notaties zag hij geen heil: ‘Er blijft van mijn variaties weinig over als het gespeeld wordt op een matig of slecht orgel in een matig- of slecht klinkende ruimte, gespeeld door een organist die er weinig of geen tijd aan heeft besteed’.

Ook in 1772 kunnen we dergelijke verzuchtingen al lezen, zoals bij Hess in het zojuist genoemde boek: Luister van bet Orgel, waar we op bladzijde 33 lezen: Ondertusschen kan ik niet nalaaten om in ‘t voorbygaan myn ongenoegen te toonen over de schandelyke vadzigheid der geener, welken zig zelden of nooit toeleggen, op een eenigerhande afwisseling van fraaje geluiden, maar altoos met den ouden deun voor den dag komen. Wat baat het toch, ofschoon men ‘t fraaiste Orgel bespeeld, en men ontluistert hetzelve door zulk een yverloosheid? Zal dan een Orgel van zynen eigenaartigen luister niet beroofd worden, zo heeft men ‘t voor geen gering gedeelte van de Orgel-speelkonst te agten, niet alleen kundig maar teffens ook yverig te zyn in het voortbrengen van allerlei fraaje geluiden.

Meerdere stijlen
Bolt improviseerde tijdens de zondagse diensten in de St. Bavokerk doorgaans in meerdere stijlen. Met name het virtuoos orgelspel (toccatavorm) na de dienst onderscheidde zich van hetgeen we van hem kennen via LP, CD of (radio-) opname. Overigens liet Bolt allerlei vormen horen, maar toccata en fuga-vormen waren dan toch favoriet. Laten we een poging ondernemen zo’n toccata-vorm, gespeeld na een dienst, te beschrijven. Het uitleidend orgelspel met een plenumklank in een toccata-vorm begon vaak eenstemmig. De cantus-firmus (koraalmelodie) klonk vervolgens in het pedaal of in tenor. De rechterhand bleef de snelle beweging volhouden (die hetzij in triolen, hetzij in zestiende noten verliep). Er worden canonische mogelijkheden tussen allerlei stemmen benut, vaak tussen sopraan en pedaal, waarbij dan de linkerhand de snelle passages volhield in de vorm van akkoordbrekingen, ostinatofiguren en/of een mengeling van toonladderpassages en akkoordbrekingen met wissel- en doorgangstonen.

Tussen de melodieregels kwamen meer of minder uitgebreide tussenspelen voor. Soms word er motivisch vooruit gedacht, geanticipeerd op de volgonde Cf-inzet. Het loopwerk word ook wel plotseling stilgezet, waarna er een totaal andere sfeer kwam; of er word met een bepaald motief door gepreludeerd. Echo’s en dialogen en dergelijke konden dan voorkomen. Wordt een barok/klassieke klanktaal (idioom) gebezigd dan ontstond tijdens het slot, of in de loop van het gebeuren, een veel meer gekruide harmonie, waarbij klankgrapjes niet werden geschuwd.

In het geval er gekozen was voor een modern idioom kon dezelfde vorm als zojuist beschreven zich afspelen, zij het dat dan veelvuldiger werd gemoduleerd, naar verder afgelegen toonsoorten.
Koraalregels of motieven daaruit werden vaker ‘toevallig’ herhaald. Het idioom was gematigd modern, met kwart-akkoorden, sext-soptiom- en noneakkoorden, en het gebruik van hele toontoonladders.

Verrassen
Uiteraard is het doel van deze beschrijving slechts een schetsen van een grove indruk. Bolt was uitstekend in staat telkens zodanige veranderingen in zijn vormkeus en klanktaal aan te brengen dat hij bleef verrassen. Het enige dat eigenlijk vaststond was dat het majestueuze Bavo-orgel in alle klankfacetten kon klinken, dus ook de meest krachtige registers (Bazuin 32’). Want volgens Klaas moest ook de toevallig aanwezige toerist bij deze diensten alle klankpracht van het orgel kunnen beleven. De harmonisaties en voorspelen konden tijdens een dienst ook sterk van stijl verschillen.

Bij harmonisatie was een veelvuldig toegepast stijlmiddel de volgende: De bas verliep chromatisch, waardoor als het ware ‘vanzelf’ meer toevallige, gekruide, dissonerende harmonieën konden ontstaan, zonder dat de structuur ontbrak. Meestal daalde de bas.Toen Klaas op een keer vond dat hij de bas, althans in mijn aanwezigheid, vaak genoeg had laten dalen, deed hij de bas bij het volgende couplet stijgen.

Wanneer je dan na de dienst (soms) naar boven ging zat hij te spelen met pretogen die begonnen te twinkelen wanneer je zei dat je de bas de ‘verkeerde’ kant op had horen gaan. Er werd dan grinnikend verder gespeeld, met het vertrouwde grote gemak. Dat was Klaas Bolt: Communiceren: en zoveel mogelijk mensen bereiken en bekoren met moedgevend orgelspel.

ABron: De Orgelvriend januari 1994